Dodenherdenking - uitgelichte afbeelding Yvonne Alefs

Dodenherdenking

Anna schrikt wakker van het geloei van sirenes. Ze glipt in de kleren die klaarliggen en wikkelt haar zoontje in een deken. Ze vliegt met hem in haar armen het trappenhuis af, waar medebewoners ook huilend en roepend naar de kelder rennen. Nog voordat ze beneden is, ruikt ze het vuur en wanneer ze nog even door het trappenhuis naar boven kijkt, ziet ze door de raamopening het vuur al hoog boven hen oplaaien. Dicht aaneen gesmeed in de kelder richt een bejaard echtpaar zich prevelend tot de Moeder Gods. Een aan de drank verslaafde kinderloze vrouw krijst onophoudelijk: ‘Verdomde klotezooi!’.

Wanneer Anna’s buurman als laatste de kelder binnenkomt, brengt hij een stinkende walm met zich mee. Hij is de straat opgegaan om de situatie te bekijken en roept verschrikt dat ze, als ze niet door de rook verstikt willen worden, daar weg moeten. Met z’n allen kruipen ze in de kelder tot aan de bijkeuken van de buren, waar ze net zo lang blijven totdat ook daar de bijtende rook het hen onmogelijk maakt nog adem te halen. De doorgang naar de derde kelder wordt geopend. Maar hoe lang zullen ze daar kunnen blijven? Iedereen zwijgt en luistert met ingehouden adem naar de geluiden op straat. Het geknetter en gedaver van de naar de hemel reikende vuurzuilen overal rondom hen dringt de benauwende ruimte binnen. De angst is voelbaar en maakt de lucht nog dikker en zwaarder om in te ademen.

Zodra het geluid van de vliegtuigen verstomt, klimmen ze haast struikelend over elkaar de kelder uit. Anna hapt tevergeefs naar frisse lucht. Sprakeloos staart ze naar het tafereel dat zich voor haar afspeelt. Elk huis staat in lichterlaaie en ze beseft in alle hevigheid dat zij en haar zoontje nog lang niet veilig zijn. Ze voelt hoe ze van angst verstijft en moet zichzelf dwingen om in beweging te komen. Omdat uit elke raam vuurtongen naar buiten lekken, loopt ze naar het midden van de straat. Ook de bomen aan de rand van het trottoir staan in brand en laten met regelmaat brandende takken vallen. Ze komt bijna niet vooruit, doordat het asfalt op straat door de hitte aan het smelten is. Links en rechts van haar ziet ze hoe anderen die uit hun kelders zijn gekomen, vast zijn blijven zitten in het zacht geworden, kleverige asfalt. Sommigen van hen zijn ook getroffen door het brandende puin dat uit de hoogte naar beneden is gevallen en zijn in brand gevlogen. Een afschuwelijk beeld dat nooit meer van haar netvlies zal verdwijnen.

De oude houten huizen beginnen nu om haar heen in te storten. De walmende rook wordt dichter, de doorgangsruimte op straat beperkter. Anne kijkt om, maar de weg terug is afgesneden en ze wordt aan alle kanten door vuur omgeven. Waar ze loopt reiken de vlammen inmiddels bijna tot haar knieën, maar ze heeft het niet in de gaten. Ze merkt niet dat haar benen verbranden en ook niets van de bijtende walm in haar ogen, mond en keel, die haar begint te verstikken. Ze is overmand door een ontstellende vermoeidheid, doordat haar hersenen geen zuurstof meer krijgen en ze beseft dat het einde voor haar en het kind dat zij in haar armen draagt nadert. Als ze door haar knieën zakt, kan ze niet voorkomen dat haar zoontje uit haar armen rolt. Nog altijd in een deken gewikkeld, ligt hij daar. Alleen zijn beentjes steken naar buiten. Zodra die in contact komen met de vlammen, gilt hij van de pijn. Kronkelend en trappelend ligt hij voor haar op de grond …

Bron: De Brand – Jörg Friedrich

Vandaag is het dodenherdenking. Een dag waarop mijn gedachten in het bijzonder uitgaan naar de soldaten, verzetsstrijders, krijgsgevangenen, onschuldige burgers en de miljoenen Joden, die tijdens de Tweede Wereldoorlog op verschrikkelijke wijze zijn omgekomen. Hun verhalen kunnen niet vaak genoeg verteld worden om ons ervan te blijven doordringen dat we niet mogen ophouden waakzaam te zijn, zodat zoiets verschrikkelijks nooit meer gebeurt.

Deze keer echter heb ik sterk de behoefte om ook aan nog een groep mensen te denken die immens hebben geleden onder de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog. Sinds een half jaar namelijk onderzoek ik de bombardementen die de Engelsen en Amerikanen tijdens de Tweede Wereldoorlog op de Duitse industriesteden hebben gedaan. Reden hiervoor is een boek dat ik aan het schrijven ben over mijn schoonmoeder die als klein meisje in Duisburg woonde en de verschrikkingen van de aanvallen vanuit de lucht ternauwernood overleefde. Nooit had ik er bij stilgestaan en nooit is me tijdens geschiedenislessen op school verteld dat de geallieerden doelgericht en met huiveringwekkende preciesie hun pijlen op de Duitse bevolking richtten. In de hoop het moraal onderuit te vegen, werden grootschalige analyses en berekeningen gemaakt om er maar voor te zorgen dat zoveel mogelijk Duitse steden door bombardementen in vlammen opgingen. Met als ultieme doel: zoveel mogelijk vrouwen en kinderen onder de slachtoffers. Iets wat hun glansrijk gelukt is …

Bij iedere volgende bladzijde die ik las drong de vreselijke waarheid steeds dieper tot me door: de helden van deze verschrikkelijke oorlog hebben ook ‘verkeerde’ dingen moeten doen. Ik heb  gehuild om mijn naïviteit dat ik daar nooit bij stil heb gestaan. Gehuild om de Duitse mannen, vrouwen en kinderen die massaal een afgrijselijke, soms langzame, maar vooral pijnlijke dood vonden in het verterende vuur en verstikkende rook van de bombardementen. Gehuild omdat hun dood tevergeefs is geweest, want het moraal verzwakte niet, integendeel.

420.000 Duitse burgers zijn door geallieerde bombardementen omgekomen. Een aantal dat bij lange na niet het aantal van de Joden haalt die in de gaskamers zijn gedood, of het aantal geallieerde soldaten die hun leven hebben geven voor onze vrijheid. Maar wanneer je inzoomt op het persoonlijke leed, zoals in het waargebeurde verhaal waarmee ik dit stuk begon, dan is deze even diep en even rauw als ieder ander die in deze afgrijselijke oorlog is omgekomen. Hun massale sterven mocht niet herdacht worden. Het gevolg van het ‘aan de foute kant staan’. Een kant die pas ‘fout’ bleek te zijn toen de oorlog voorbij was, maar die in het moment van hun sterven voor henzelf nog niet duidelijk was.

Anna en haar zoontje hebben de vlammenzee overleefd, maar veel andere Duitse vrouwen en kinderen niet. Voor hen stel ik vandaag mijn hart open. Ongeacht of ze schuldig zijn of niet, verkeerd zijn geweest of niet, aan de foute kant stonden of niet. De tranen die ik vandaag laat voor slachtoffers die aan de goede kant stonden, vloeien samen met die voor al deze mannen, vrouwen en kinderen die de hemel hebben zien branden. En ik hoop dat wij als mensheid intussen zoveel geleerd hebben, dat we beseffen dat de stempel ‘goed’ of ‘fout’ slechts scheiding teweeg brengt. Alleen liefde kan ons helpen om samen diep van binnen te helen. Alleen zachtmoedigheid laat onvoorwaardelijke rust in onze ziel neerdalen. Alleen als we niemand meer uitsluiten, kunnen we voorkomen dat zoiets opnieuw gebeurt  …

Yvonne Alefs

Facebooktwitterlinkedin
Geen reactie's

Geef een reactie